Walter en Marc Zegveld
Overheid kan tekort aan bèta-opgeleiden oplossen
Gepubliceerd op 12 maart 2003 | (2 reacties) | Ga naar het bijbehorende forumtopic
Het tekort aan bèta-opgeleiden geldt als belangrijk obstakel bij de ontwikkeling van de kenniseconomie. Dat tekort beperkt de mogelijkheden die wetenschap en technologie bieden voor het ontwikkelen van nieuwe producten, productieprocessen en diensten. Ook zet het tekort de concurrentiepositie onder druk en leidt het tot verplaatsing van kennisactiviteiten met een hoge toegevoegde waarde naar het buitenland. Ook de groei van het aantal zogenaamde technostarters – bron van nieuwe bedrijvigheid en banen – komt in de knel.
Het meest dramatisch is de terugval bij de studies chemie, natuur- en wiskunde. Zonder de problemen weg te definiëren, is een aantal kanttekeningen op zijn plaats.
Op de eerste plaats is de bèta-instroom van studenten al enige jaren nagenoeg constant. Wel tendeert de instroom naar meer zachte bèta-opleidingen. Succes wordt met name geboekt met de verbreding van de bèta-opleidingen door het betrekken van managementaspecten, zoals op diverse universiteiten inmiddels het geval is. Technische bedrijfskunde, technische bestuurskunde en maatschappelijke richtingen waaraan op grond van de maatschappelijke ontwikkeling grote behoefte blijkt te bestaan. Als studierichtingen verheugen zij zich in een grote populariteit. Aan de TU Delft is de grootste faculteit die van het industrieel ontwerpen, een typische gamma-bèta-opleiding met ruim vijfhonderd studenten, waarvan circa de helft vrouwen.
Daarnaast kan biologie, waarvoor grote belangstelling bestaat, meer en meer gezien worden als bèta-vak. Ontwikkelingen op het gebied van biotechnologie, genomics, proteomics en bio-informatica drijven de als niet-bèta gerubriceerde ‘life sciences’ in de richting van de harde wetenschap.
Bij wiskunde is enerzijds de productiviteitsgroei als gevolg van het gebruik van de computer aan de orde; anderzijds volgt ongetwijfeld een groot percentage van de traditionele wiskundestudenten inmiddels de colleges informatica.
Bij de verminderde belangstelling voor chemie moeten we betrekken dat in aanpalende gebieden de belangstelling groot is. Milieutechnologie, milieukunde en duurzame technologische ontwikkeling staan volop in de belangstelling van studenten.
Ook moeten we de Europese dimensie erbij betrekken. Net zo goed als Belgische studenten bij gebrek aan een opleiding vliegtuigbouw in hun land aan de technische universiteit in Delft studeren, kunnen Nederlandse studenten met belangstelling voor geodesie – een opleiding die de TU Delft besloten heeft te beëindigen wegens gebrek aan belangstelling – aan een andere universiteit in Europa studeren.
Ook heeft het overheidsbeleid ten aanzien van de studiefinanciering bijgedragen aan een afnemende belangstelling voor het studeren in pure bèta-vakken. Als ik (WZ) aan het begin van de hoorcollegecyclus studenten vroeg waarom ze voor bedrijfskunde hadden gekozen en niet voor een bèta-vak, was het antwoord dat ze zich dat niet konden veroorloven; de overheid financierde een studieduur van vier jaar en veel studenten waren er niet zeker van dat een moeilijke bèta-studie binnen die termijn met succes zou kunnen worden afgerond.
Dan is er nog het probleem van de uitval, studenten die hun studie niet afmaken. Los van de financieringsstructuur van de universiteiten (input versus output) is er nog een ander fundamenteel probleem. Zo was ik (WZ) destijds betrokken bij een onderzoek naar het hoge uitvalpercentage van Universiteit Nyenrode. Ongeveer vijftig procent van de studenten maakte de studie niet af. Uit exit-interviews bleek dat het verwachtingspatroon van de studenten was dat vanaf het eerste jaar de colleges betrekking zouden hebben op bedrijfskundige problematiek. Het tegendeel was waar; het ging de eerste jaren over statistiek, sociologie, marketing en andere voor de bedrijfskunde essentiële vakken.
Eenzelfde probleem was destijds aan de orde bij de faculteit vliegtuigbouw aan de TU Delft. Ook daar was het verwachtingspatroon van de studenten dat het over vliegtuigen zou gaan. Niets was minder waar. De eerste jaren van de studie ging het over sterkteleer en aërodynamica. Toen het uiteindelijk over vliegtuigen ging, waren vele studenten al afgehaakt.
Ook de immigratie van bèta-opleidingen vraagt om beleid en wel in samenhang met het onderwijs.
Het tekort aan bèta-opleidingen heeft meer facetten en is ook een thema met diverse belanghebbenden. De overheid, het bedrijfsleven en de wetenschap zullen een grondige analyse moeten maken van het probleem en moeten aangeven wat verwacht moet en kan worden van elk van de belanghebbenden.
Walter en Marc Zegveld
Prof. ing. Walter Zegveld is ex-hoofddirecteur TNO, ex-hoogleraar Interuniversitair Instituut Bedrijfskunde Delft en Economische Faculteit VU Amsterdam. Hij is commissaris of bestuurslid van private en publieke ict-instellingen.
As a partner at TVA developments Marc A. Zegveld is responsible for the development of corporate startegies of major and complex companies. Most of the customers of TVA developments are listed on the Amsterdam Stock Exchange. He also teaches as a part time associate professor corporate strategy at the Delft University of Technology. Marc is married and has two children.
Walter en Marc schrijven columns voor Het Financieele Dagblad. Higherlevel.nl ontvangt hiervan een afschrift. Indien deze relevant is voor jonge innovatie ondernemers en geïnteresseerden in deze doelgroep, zal de column worden geplaatst.
Meer columns door Walter en Marc Zegveld
2 Reacties
Vooral hightech bedrijven klagen over het teruglopend aantal béta studenten en roepen om het hardst dat de overheid hier iets aan moet doen. Volgen mij ligt het probleem bij die bedrijven zelf. Ze beperken het cariereperspectief van béta's door alleen maar bedrijfskundigen op te nemen in hun management development programma's. Die bezetten alle leuke baantjes en de béta's mogen ploeteren in het lab.
Het lijkt mij een goed idee dat bedrijven als Shell, Philips, DSM en AKZO minsten de helft van hun carriere plaatsen vrijhouden voor techneuten met opwaardse mobiliteit.
Een interessant uitspraak hierover las ik nog niet zo lang geleden in het NRC (04-03-2003):
Is het universitair niveau te laag geworden?Nederland staat op het punt zijn traditie in de exacte wetenschappen de nek om te draaien, meent Robbert Dijkgraaf, hoogleraar mathematische fysica aan de Universiteit van Amsterdam. Ons bètaonderwijs, waar het aantal studenten in Europa op de absoluut allerlaagste plaats staat, is volledig gemarginaliseerd. Dit geeft tot verbazing van Dijkgraaf geen aanleiding tot schaamte of discussie, maar leidt alleen tot toenemende bezuinigingen onder de overgebleven.
De Nederlandse universiteit verkeert in een identiteitscrisis, constateert Dijkgraaf: ,,De universiteit is slechts een holding van kleinschalige, onafhankelijke studies en heeft niet de wens of de wil overkoepelende inhoudelijke eisen te stellen, uit angst de klanten weg te jagen.'' Terwijl academisch Nederland zich hierover het hoofd breekt en in een door de politiek gedwongen onmogelijke spagaat ligt, vallen de eerste slachtoffers: de harde bèta's.
Is de universiteit in de eerste plaats een vakopleiding, of maakt zij het vooral de student naar de zin? Koestert zij talent of produceert zij zoveel mogelijk diploma's? En als de universiteit vooral de student wil behagen, dreigt dan het universitair niveau in Nederland te laag te worden?
De
gehele opinie van Dijkgraaf kun je alleen lezen als je een abonnement hebt op NRC (en dus een wachtwoord hebt).
Maar ik zal nog even een mooi quote aanhalen
Het is daarom het exclusieve, droeve lot van Nederland om zich zelf als eerste Europees land volledig te marginaliseren in de bètawereld, waar wij met onze studentenaantallen op de absoluut allerlaagste plaats staan. Anders dan bij sportwedstrijden of songfestivals geeft dit geen aanleiding tot nationale schaamte of zelfs publieke discussie. Het leidt alleen tot een wonderlijk krimpend bestaan voor de overgebleven wetenschappers onder een steeds dichter naderende snoeischaar van bezuinigingen.