Ga naar inhoud
  • Heb je een column, artikel of opiniestuk geschreven over innovatie en/of ondernemerschap? Dan plaatsen we deze na een redactionele check graag op Higherlevel.nl! Middels onderstaand formulier kun je de column plaatsen. Let op: de columnsectie is niet bedoeld voor Online Marketeers die werkzaam/ingehuurd zijn om producten/diensten onder de aandacht te brengen.

  • Columns

    Log in om dit te volgen  
    Gast

    Het tij

    Door Gast

    Het mooie van de val van een kabinet is, dat daarmee ook alle beroerde voornemens die het had van tafel zijn. Maar erg zoet is die vrucht in dit geval niet. Want hoewel innovatief Nederland weinig te verwachten had van het kabinet Balkenende, is met de val ervan bijna een jaar verloren gegaan. Het innovatieklimaat in Nederland verslechtert in hoog tempo. Een beleidsvacuüm door politiek gekrakeel is het laatste wat het land kan hebben, hoe slecht sommige voornemens ook waren.
     
    Het kabinet kondigde op prinsjesdag onder meer aan dat er 50 miljoen euro zou worden bezuinigd op de WBSO, de fiscale korting op R&D-arbeid. Het zal nu niet lukken die maatregel komend jaar al door te voeren. De wijziging van de WBSO is onderdeel van het Belastingplan 2003, en het is vrijwel uitgesloten dat dat nog voor het eind van het jaar door beide Kamers wordt goedgekeurd. Een volgend kabinet zal de draad waarschijnlijk oppakken, maar dan hebben we het over invoering per 2004.
     
    Overigens had dit kabinet het niet over bezuinigingen op de WBSO, maar over het 'effectiever' maken van de regeling. De WBSO moest worden gereserveerd voor echte R&D; haalbaarheidsstudies zouden niet meer voor fiscale korting in aanmerking komen. Bovendien zou het speciale tarief voor technostarters worden verlaagd van 70 naar 60 procent.
     
    De WBSO wordt alom geprezen als een effectieve, laagdrempelige en relatief eenvoudige regeling, die vooral voor midden- en kleinbedrijf van groot belang is. Ondernemersorganisaties (MKB Nederland, VNO-NCW) hebben dan ook furieus gereageerd op het plan erin te snijden.
     
    Het kabinet Balkenende had nog meer op stapel staan. Behalve die 50 miljoen op de WBSO zou er de komende drie jaar nog eens 150 miljoen worden gekort op de technologiesubsidies, onder meer door fors te snijden in de diverse regelingen voor kennisoverdracht.
     
    Argumenten voor deze ingrepen zijn ver te zoeken; je komt uit bij de door de rekenmeesters van Financiën opgelegde begrotingsdiscipline. Met de andere EU-lidstaten sprak Nederland dit voorjaar in Barcelona af 3 procent van zijn BBP aan R&D te zullen besteden, waarvan 1/3 door de overheid en 2/3 door het bedrijfsleven. En in de allerleerste begroting na Barcelona wordt het mes gezet in de R&D-stimulering!
     
    Erger dan een papieren belofte van een Europese top is het feit dat voor dat snijden geen slechter moment gekozen had kunnen worden. Nederland liep al niet voorop in de EU; het besteedt op dit moment 2 procent van zijn BBP aan R&D en zit daarmee op het EU-gemiddelde. En het economisch tij zit tegen. Dat zou een reden moeten zijn meer te doen in plaats van minder. Juist in tijden dat het minder gaat, moeten bedrijven hun strategie herzien, op zoek naar kostenbesparingen, en naar nieuwe producten en diensten, kortom naar innovaties. De overheid geeft in zo'n periode een slecht signaal af door zich verder uit het innovatiesysteem terug te trekken.
     
    Met de val van het kabinet Balkenende zijn de voornemens even van tafel. Maar indien, zoals wordt verwacht, CDA en VVD versterkt uit de LPF-soap komen, liggen die er even snel weer op.
    Gast

    Balkenende is heel stil over kenniseconomie

    Door Gast

    Eerder gaven wij in een column in het Financieele Dagblad een opgave van wat in de landelijke verkiezingsprogramma's van de politieke partijen was opgenomen over de kenniseconomie. Nagenoeg niets! De inhoud van het strategisch akkoord van het kabinet Balkenende blijkt daarvan een afspiegeling.
     
    Wie zoekt op trefwoorden 'kenniseconomie', 'innovatie' en 'technologische vernieuwing' vindt niets in het 47 pagina's tellende document. Bij 'onderzoek' wordt volstaan met de informatie dat reproductief klonen en het kweken van embryo's voor onderzoeksdoeleinden verboden blijven. Bij de trefwoorden 'economische en sociale structuren' meldt het strategisch document dat deze versterkt moeten worden: 'Nederland moet aansluiting houden bij de top van Europa.' Het akkoord gaat niet verder dan de constatering dat dit vraagt om 'versterking van de arbeidsparticipatie' en een 'klimaat van ondernemerschap'.
     
    In het geheel niets staat er over de rol van wetenschap, technologie en innovatie in maatschappelijke en economische ontwikkelingen. Tijdens de Lissabon-top in het voorjaar van 2000 hebben de Europese regeringsleiders de ambitie uitgesproken de Europese Unie voor 2010 te doen uitgroeien tot 'de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang.' De Nederlandse regering heeft aangegeven deze ambitie als eerste te willen realiseren.
     
    In de uitwerking van Lissabon formuleerden de Europese regeringsleiders de Europese ambitie om de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling binnen de Unie te doen verhogen in de richting van drie procent van het bnp terwijl tweederde van deze nieuwe investeringen afkomstig moet zijn uit de particuliere sector. Een kenniseconomie kenmerkt zich door een dynamische relatie tussen onderwijs, onderzoek en maatschappij en is gekoppeld aan nauwelijks meetbare, maar essentiële factoren zoals creativiteit en ondernemerschap. Het gaat erom binnen de driehoek economische ontwikkeling, innovatie en onderwijs tijdig nieuwe ontwikkelingen te signaleren en deze te vertalen in concrete acties.
     
    Diverse internationale organisaties hebben uitvoerig onderzoek verricht naar de succesindicatoren in een kenniseconomie. Hoewel iedere organisatie er een eigen werkwijze op nahoudt en verschillende indicatoren hanteert, bestaat er een zekere eensgezindheid over de aard van de indicatoren waaraan het succes van een kenniseconomie is af te lezen. Deze indicatoren zijn onder andere de omvang van de publieke en private uitgaven aan R&D (research and development), het aantal wetenschappelijke publicaties, aantal techno-starters, organisatie van de bescherming van intellectueel eigendom, beschikbaarheid van durfkapitaal en het aantal afgestudeerden in exacte vakken.
     
    Minder belicht zijn aspecten als creativiteit en ondernemerschap.
     
    Een recent rapport van het Centraal Planbureau 'De pijlers onder kenniseconomie' (2002), vergelijkt het Nederlands beleid internationaal op basis van rapporten van OESO, EU, Unice (federatie Europese werkgeversverenigingen) en de innovatie-index die door Michael Porter van Harvard Business School is ontwikkeld. Deze studies constateren een achteruitgang van Nederland.
     
    De verhoging van de impact van wetenschap en technologie op de economische ontwikkeling wordt niet alleen door de omvang van het wetenschapsbedrijf bepaald. In de bevindingen van de Oeso en de studies van Freeman en Lundvall blijken het vooral institutionele factoren die een belangrijke functie vervullen in de wederzijdse spillover tussen onderzoek en toepassing. Door de geavanceerde productiefactoren centraal te stellen geeft Porter nadrukkelijk aan dat de rol van kennis cruciaal is voor de productiviteitsontwikkeling. Dit vraagt om een integrale benadering van wetenschap en technologie, als onderdeel van de gehele innovatieketen. Institutionele veranderingen dienen dan ook gericht te zijn op het creëren van deze integrale benadering. De overgang van de huidige economie naar een kenniseconomie is ingrijpend en moet worden gezien als een transformatie. Deze vergt nieuwe inzichten in de bijdrage van de huidige maatregelen en instituties en de noodzakelijke aanpassing hiervan.
     
    De kloof tussen ambitie en huidige positie van Nederland is groot. Uitgezonderd het genomicsonderzoek kent Nederland thans geen integrale publiek-private benadering van de gehele innovatieketen. Structurele veranderingen dienen dan ook gericht te zijn op het creëren van deze integrale benadering. Het genomicsonderzoek, de activiteiten van de Stichting Technische Wetenschappen (STW) en die van de Technologische Topinstituten tonen aan dat de integrale benadering geenszins ten koste gaat van de wetenschappelijke kwaliteit.
     
    Nederland dient een forse inspanning te plegen om zowel de omvang van onderzoek en ontwikkeling met de helft te verhogen als de verhouding naar substantieel meer privaat geld om te buigen. In plaats van de Lissabon-ambitie los te laten zouden de ministers van Economische Zaken en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen eens een kijkje moeten nemen in Finland en Zweden. Finland kent een besteding van 3,5 procent van het bnp aan R&D in de verhouding eenderde overheid en tweederde private sector. Zweden scoort nauwelijks slechter met een besteding van 3 procent van het bnp aan R&D, met een groter deel gefinancierd vanuit de publieke sector en met een intensieve discussie hoe het rendement van deze overheidsbesteding te vergroten. Finland besteedt daarbij nog eens 8 procent van het bnp aan onderwijs en Zweden zelfs 9 procent, tegen een schamele 6 procent voor Nederland. Het benchmarken van Nederland met de huidige koplopers zal nieuwe ideeën opleveren hoe omvang en samenstelling van het Nederlandse onderzoek aan de gestelde doel kan voldoen.
     
    Afwezigheid van enige opmerking in het strategisch akkoord doet echtervermoeden dat de kenniseconomie niet de prioriteit van het kabinet heeft. De begrotingsbesprekingen van de ministeries van OCW en EZ bieden de mogelijkheid deze omissie recht te zetten en ook voor de kenniseconomie het stempel van dit kabinet te zetten, namelijk 'werken aan vertrouwen, een kwestie van aanpakken'.
    Gast
    De nieuwe subsidieregeling van Economische Zaken voor incubators van kennisinstellingen is geen succes. De eerste tender, die in juli sloot, leverde een magere oogst op van tien voorstellen. Dat komt vooral doordat universiteiten veelal afzagen van het indienen. van voorstellen.
     
    Het kan natuurlijk ook komen doordat de verantwoordelijk minister niet op de hoogte is van de regeling (zie de discussie over Het kabinet van de kaasschaaf, op deze site). Heinsbroek vliegt met zijn ambtenaren naar de VS om een incubator te zien. Dat die er in Nederland ook zijn, en dat zijn ministerie de bouw van nieuwe stimuleert is tot de bewindsman kennelijk nog niet doorgedrongen.
     
    Jaren is er over de regeling voor technostarters gesproken. Naar de honderd miljoen gulden (de oude munt!) die minister Jorritsma (EZ in Paars II) ervoor reserveerde is in beleidsstukken en speeches al honderden malen verwezen. Maar pas dit jaar werd de Subsidieregeling Infrastuctruur Technostarters van kracht.
     
    Stimuleringsregelingen voor starters in de ICT waren er al (Twinning). Een nieuw fonds voor starters in de life sciences stond op poten (BioPartner). En er was een potje voor nieuwe bedrijvigheid in de farmacie (Stigon). EZ wilde ook in alle resterende sectoren bedrijvigheid stimuleren. Op advies van onder anderen Dreamstart werd een technostartersregeling op poten gezet. Terwijl BioPartner beschikt over een reeks instrumenten om starters in de life sciences te helpen, en daarmee ook successen boekt, werden in deze technostartersregeling alle kaarten op één instrument gezet: incubator faciliteiten bij kennisinstellingen.
     
    Veel universiteiten hebben incubator faciliteiten. De meeste van die incubators doen het goed. Universiteiten zouden hun capaciteiten best willen uitbreiden. Maar de technostartersregeling eist dat instellingen zelf 60 procent van de kosten dragen. Voor verscheidene universiteiten was ook dat nog te doen geweest, ware het niet dat vlak voor sluiting van de eerste tender het strategisch akkoord van het kabinet Balkenende bekend werd. Met daarin een bezuiniging van 143 miljoen euro op de universiteiten. Dát deed veel instellingen afzien van nieuwe plannen; er werd niet ingediend. De oogst van de eerste tender bleef daarmee beperkt tot een tiental voorstellen van vooral niet-universitaire kennisinstellingen, zoals TNO en ECN, waarvan nog bezien moet worden of ze in aanmerking komen voor subsidie.
     
    Cynisme: Paars II heeft jaren gepronkt met extra geld voor technostarters zonder dat die middelen werden ingezet. En nu het eindelijk zo ver is, blijkt het te laat en vooral mis geschoten.
    In het eerste deel behandelde ik het waarom van een business plan en de functies ervan en vervolgens het wanneer van een business plan en waar vind je de informatie. In dit tweede deel eerst een aantal valkuilen van een business plan, eerst over de inhoud, daarna over de presentatie ervan. Dan ga ik dieper in op de vraag wat nu de uitdaging is bij het schrijven van een business plan.
     
    Valkuilen: de inhoud
    Besef dat je je business plan helemaal zelf geschreven moet hebben: elk hoofdstuk, elke paragraaf, iedere regel, elk woord en ja, zelfs iedere letter. Te vaak zie ik business plannen waarop het logo van een consultant staat bijvoorbeeld KPMG of Ernst & Young. In mijn actieve periode in de venture capital wereld legde ik deze plannen direct terzijde: een business plan beschrijft de visie van een ondernemer (en/of zijn team) en niet die van een consultant. Stel dat je bijvoorbeeld in het eerste gesprek met de investeerder wordt gevraagd naar onderdelen van je plan. Als je dan met een mond vol tanden staat slinken je kansen op het krijgen van financiering drastisch. Tegelijkertijd moet je je realiseren dat een business plan niet de realiteit beschrijft maar alleen jouw perceptie van de realiteit.
    De focus van een business plan is doen! Het is geen proefschrift (dus geen voetnoten!) , werkstuk of iets dergelijks maar het beschrijft wat je gedaan hebt en wat je nog gaat doen om je droom te realiseren: systematisch en volledig, positief en realistisch.
    Vermijdt het gebruik van vraag en antwoord spelletjes (b.v. Wat is mijn markt? Mijn markt is ….) want dit komt paternalistisch over: alsof je deze lezer iets aan het leren bent. Met name bij een venture capitalist kan dit in het verkeerde keelgat schieten. Investeringsmanagers beslissen over miljoenen en soms voelen ze zich “masters of the universe” (zie het boek “Bomfire of the Vanities” van Tom Wolfe).
    Ik ken investeerders die puntsgewijze business plannen toejuichen maar mijn voorkeur gaat uit naar een logisch verhaal. Bullets gebruik je in een presentatie maar niet in een business plan. Ook zou ik je willen aanraden om grafische voorstellingen en dergelijke te vermijden. Vaak is een logische beschrijving duidelijker en korter.
    Vermijdt herhalingen: als je het niet in een keer kan zeggen dan kan je het maar beter helemaal niet zeggen. Je overtuigt een investeerder in eerste instantie door de kracht van wat je opschrijft. De techniek van de herhaling is meer iets voor folders, reclames ed.
    Wees in je woordkeus compact, to-the-point en makkelijk te begrijpen, dus bijvoorbeeld geen jargon. Investeerders zijn geen specialisten in jouw vak en hebben tijd noch zin om lange en onbegrijpelijke verhalen te trachten te doorgronden. Leg ook de nadruk op positieve zaken door woorden als “niet” en “probleem” te vermijden. Per slot van rekening wil je dat de investeerder na het lezen een positieve beslissing neemt.
    Belangrijk is ook dat je business plan geen grammaticale - en / of typefouten bevat. Dat toont dat je aandacht besteed hebt aan je plan.
     
    Valkuilen: de presentatie
    Een business plan valt in drie delen uiteen: samenvatting, business plan en de bijlagen. Zorg ervoor dat dit ook drie verschillende documenten zijn. Dit heeft te maken met het proces: eerst stuur je de samenvatting van je plan naar de investeringsmanager op. Als hij geïnteresseerd stuur je hem / haar het hele business plan en tijdens (of na afloop van) het eerste gesprek overhandig je ook de bijlagen.
    De ideale lengte van de samenvatting is anderhalve pagina, het business plan zelf rond de 25 pagina’s. Een investeerder krijgt zoveel business plannen dat hij moet selecteren dus maak stuur geen ellenlange verhalen want hij heeft geen tijd om die te lezen.
    E-mail kan heel handig zijn maar stuur je business plan bijvoorkeur met de post. Belangrijkste voordeel is dat je dan precies weet hoe het eruit ziet want andere printers kunnen je document grotendeels verminken. Zorg wel dat het duidelijk is wie het plan heeft geschreven en dat de investeerder makkelijk contact met je kan opnemen, bijvoorbeeld door op elke pagina van je business plan (bijvoorbeeld in de voetnoot) je NAW-gegevens op te nemen.
    Stuur ook geen geheimhoudingsverklaringen op want een goede investeerder tekent die niet (zie ook de discussie op higherlevel.nl: https://www.higherlevel.nl/yabbse/index.php?board=18;action=display;threadid=1300;start=0;boardseen=1).
     
    De uitdaging
    Realiseer je dat je je business plan zo schrijft dat je een outsider ervan overtuigt dat er geld verdiend kan worden indien hij in je bedrijf investeert. Tegelijkertijd is een business plan een document waarmee je jezelf en je team zodanig verkoopt dat je een afspraak met een investeerder krijgt.
     
    Zo, dit was mijn tweede column. Over twee weken beschrijf ik de karakteristieken van een samenvatting (of executive summary) waarna in de weken daarna de inhoud van de hoofdstukken van een business plan beschrijf.
     
    Gast

    Kabinet van de kaasschaaf

    Door Gast

    Ik had nu een column willen schrijven over het wetenschaps- en technologiebeleid van het nieuwe kabinet. Nou dan ben je snel kaar. In het strategisch akkoord van Balkenende I komt het woord innovatie niet voor. Technologische vernieuwing evenmin. En wetenschappelijk onderzoek alleen in de mededeling dat de bestaande beperkingen voor het onderzoek met embryonaal weefsel en stamcellen worden gehandhaafd.
     
    Sinds het aantreden van het kabinet gaat het, tussen de afleveringen van de LPF-soap door, vooral over de noodzaak meer te bezuinigen. En minister van EZ Heinsbroek heeft het alleen nog maar gehad over lastenverlichting. De discussies over het stimuleren van onderzoek en ontwikkeling, over hightech starters, over de noodzaak tenminste 3 procent van het BBP te bestemmen voor R&D (nu 2 procent), over octrooibeleid en kennisutilisatie, zijn stilgevallen. En het is onduidelijk wanneer ze weer op gang komen.
     
    Tot voor kort waren vrijwel alle partijen het erover eens dat het budget van NWO, de belangrijkste uitvoerder van het wetenschapsbeleid van de overheid, moest worden verhoogd met 100 miljoen euro. Maria van der Hoeven was als CDA-kamerlid een van de felste pleitbezorgers van die verhoging. Van der Hoeven is nu minister van OC&W, maar op haar begroting zal zij het extra geld voor onderzoek niet kunnen vinden.
     
    Op de derde dinsdag van september kan de zon natuurlijk nog doorbreken, maar gevreesd moet worden dat dit het kabinet is van de kaasschaaf, waaraan onderzoekend en innoverend Nederland weinig plezier zal beleven.
     
    We moeten afwachten. Intussen wil ik terugkomen op de discussie over het Zesde Kaderprogramma van de EU (KP6) en de Brusselse subsidiepotten. Uit de reacties op mijn stukje daarover spreekt frustratie. Frustratie over de hoge drempels, de administratieve last, lange procedures en weinig vruchten. Voor kleine ondernemingen valt de lust van een onderzoeksubsidie al gauw in het niet bij de last van de subsidiemolens. Dan maar geen subsidie aanvragen, concluderen sommigen. Misschien terecht. Maar bij de beslissing al dan niet deel te nemen aan een subsidieprogramma, moet in ieder geval het strategisch belang worden meegewogen.
     
    CRAFT kwam ter sprake in de discussie, het EU-onderzoeksprogramma voor midden- en kleinbedrijf, dat ook onderdeel zal zijn van KP6. Er zijn verscheidene evaluaties gemaakt van CRAFT, en die wijzen uit dat ondernemers voordelen zien in hun deelname. Die voordelen liggen niet zozeer in de subsidie die ze krijgen, maar in het feit dat zij via Europese projecten in contact komen met nieuwe partners (kennisinstellingen, andere ondernemingen), en hun toegang tot markten buiten het eigen land weten te verbeteren.
     
    De vraag die ik me de vorige keer stelde was of deze voordelen ook te halen zijn in de grote, geïntegreerde projecten waarop in KP6 de nadruk zal liggen. Nu, enkele maanden voor de start van KP6, verschillen de meningen daarover. Sommige experts vrezen dat de consortia die in KP6 de grote geïntegreerde projecten gaan leiden, closed shops worden, waar bijzonder weinig calls uit zullen komen voor nieuwe deelnemers of deelprojecten. Weinig kansen dus voor kleine onderzoeksgroepen en ondernemingen. Anderen wijzen echter op de afspraak dat 15 procent van het KP6-budget ten goede komt van R&D in het MKB. En dat bovendien de consortia verplicht zijn innovatie (kennisutilisatie) tot een integraal onderdeel te maken van hun project. En in het innovatietraject spelen kleine innovatieve ondernemingen een belangrijke rol.
     
    De pessimist zegt: als je er nu niet bij bent, kom je er nooit meer tussen. De optimist zegt: ook grote consortia zullen straks niet zonder kleine innovatieve ondernemingen kunnen.
    Zeker is dat de nieuwe opzet van het Kaderprogramma het R&D-landschap in Europa zal veranderen. Bij de afweging of er geld, tijd en energie moet worden gestoken in deelname daaraan, gaat het niet meer om die subsidies maar om een inschatting van het strategisch belang voor de eigen onderneming.
    Gast

    Valkuilen van de kenniseconomie

    Door Gast

    De discussie over de kenniseconomie in Nederland is met het jongste regeerakkoord een volgende fase ingegaan. In de eerste fase ging het om aandacht en relevantie. Thans zijn we aanbeland in de tweede fase, namelijk die van beleid en instrumentatie. In deze fase staat de relevantie niet meer ter discussie maar de vraag hoe een kenniseconomie energie en richting te geven.
     
    Velen beschouwen de kenniseconomie als een oplossing van een aantal van de huidige maatschappelijke en voor veel van de huidige economische problemen. Minder vervuilende, zware industrie, een grote diversiteit van duurzame producten en diensten en hoogwaardige arbeid zijn connotaties horende bij de kenniseconomie . Los van deze voordelen is het tevens van belang een aantal valkuilen van de kenniseconomie te belichten. Hieronder volgen drie van de meest in het oog springende.
     
    1. Kennis als stabiele productiefactor.
     
    In de industriële economie zijn economische activiteiten geconcentreerd op locaties met een comparatief kostenvoordeel. Van oudsher is dit voordeel gebaseerd op de fysieke aanwezigheid van grondstoffen of de grootschalige verwerking van deze grondstoffen. Zo is de staalindustrie immer gesitueerd bij havens dan wel waar ijzererts wordt gedolven. Ondernemingen in een industriële economie zijn dus moeilijk verplaatsbaar met als gevolg dat groepen van belanghebbenden - stakeholders - zoals business partners en medewerkers zich vestigen zich in de buurt van deze ondernemingen.
     
    De fysieke locatiekeuze van ondernemingen in de kenniseconomie is niet gebaseerd op de aanwezigheid van grondstoffen, maar op de aanwezigheid van producerende en/of afnemende stakeholders. Waar in de industriële economie stakeholders zich vestigen op locaties met een comparatief kostenvoordeel voor de onderneming, vestigen ondernemingen in de kenniseconomie zich op locaties waar omvang en kwaliteit van belangrijke stakeholders aanwezig zijn. Het comparatief voordeel ligt niet in de nabijheid van de fysieke grondstof maar in de nabijheid van relevante stakeholders.
     
    Een hogere dynamiek van verplaatsingen van ondernemingen is het gevolg. Niet primair de aanwezigheid van havens aan diepzeewater maar de aanwezigheid van koopkrachtige vraag, goed opgeleide medewerkers, onderzoeks- en onderwijsinfrastructuur en een efficiënte kapitaalmarkt zijn de basis van de kenniseconomie . Gevolg is dat het minder voorspelbaar is wat de primaire locatiekeuze van ondernemingen is en de verwachting dat de dynamiek van bedrijfsverplaatsingen zal toenemen.
     
    Dit heeft grote gevolgen voor de zekerheden die de verschillende belanghebbenden trachten te zoeken en zal leiden tot opportunistisch gedrag door de verschillende belanghebbenden. Het is aannemelijk dat in tegenstelling tot de industriële economie de kenniseconomie minder stabiel is, wat de concurrentie om de belanghebbenden doet toenemen.
     
    2. Kennis als manna uit de hemel
     
    Kennis is geen grondstof die wordt verbruikt en opraakt. Kennis is een combinatie van weten, ervaring en vooral van doen. Specialisatie van medewerkers, business partners en andere stakeholders, interactie tussen de stakeholders en het opbouwen van succesvolle routines en afbreken van niet succesvolle werkwijzen leiden tot groei van ondernemingsspecifieke kennis. Kennis is geen zelfstandige entiteit maar het gevolg van interactie en specialisaties.
     
    Verkorting van de halfwaardetijd van kennis leidt tot een situatie waarin de specialisatiegraad sneller moet toenemen om een vergelijkbare groei van concurrentiepositie te behouden. Voordeel is dat ondernemingen vaker in staat zijn nieuwe posities in te nemen. Consequentie is wel dat medewerkers, business partners en andere stakeholders, zich weten te specialiseren en dat de onderneming in staat is interactieprocessen tussen de stakeholders te besturen.
     
    De intensivering van de dynamiek biedt kansen maar creëert ook bedreigingen. In de kenniseconomie geldt dat kennis geen kant-en-klaar pakket is maar resultaat is van specialiseren en combineren en constant moet worden bevochten. De aanwezigheid van geavanceerde productiefactoren en een ondernemende geest is niet het kenmerk van een kenniseconomie maar een randvoorwaarde om in de concurrentierace van de kenniseconomie aan boord te blijven.
     
    3. Kennis is wetenschappelijk
     
    Veelal wordt ervan uitgegaan dat fundamentele wetenschap leidt tot toegepaste wetenschap en vervolgens tot technologie en innovatie. De praktijk is diffuser. Behalve dat toegepaste wetenschap frequent een belangrijke impuls geeft aan fundamentele wetenschap en in sommige gevallen zelfs de agenda bepaalt, zijn veel innovaties niet gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek.
     
    Voor de kenniseconomie betekent dit dat vooral de omzettingen van fundamentele wetenschap naar toegepaste wetenschap, technologie en innovatie vaak omgekeerd moeten worden bestuurd. Niet het optimaliseren van technologieontwikkeling en fundamentele wetenschap is van belang maar het optimaliseren van de wederzijdse beïnvloeding.
     
    De ontwikkeling naar de kenniseconomie is onvermijdelijk en biedt grote kansen. Maar deze transformatie heeft ook grote consequenties. Veel analyses over de kenniseconomie geven expliciete kansen weer. Deze kansen moeten in concurrentie worden bevochten. Het gevolg is een dunne scheidslijn tussen een kans en een valkuil.
    Gast

    Succeed by failing

    Door Gast

    One would think that the most successful people in business were determined to succeed and not to fail. Not necessarily. In some ways it’s just the opposite: those who focus too hard on succeeding don’t do as well as those who can tolerate failure.
     
    In a rapidly changing economy you are likely to confront as much failure as success. You will then, of course, confront a natural fear of failure. This is perfectly normal, and not even a bad thing necessarily. Fear can motivate, and make one concentrate harder. It can even be stimulating.
     
    Those who found businesses seem to thrive on the anxiety they confront and the excitement it creates. Entrepreneurs are renowned for their excitement-craving temperaments. If anything, they prefer the dark clouds and thunderclaps of impending catastrophe to clear days of smoothly humming businesses. Research on entrepreneurial attitudes suggests that orderly settings cause these risk takers more pain than chaotic ones. "We have days when it's kind of smooth," the owner of a food manufacturing business told Inc.magazine, "but those are not my greatest days" The founder of a restaurant chain concurred. "My eyes light up when I hear of a crisis," he said.
     
    Ask any founder of a thriving business how things are going and you'll get an aggravated recounting of payrolls to be met, debt to be serviced, insurance to be bought, and the need to expand. Running the business is a million headaches. But ask that person what it was like to start an enterprise and watch his or her face light up. Getting a business off the ground is a heroic experience: one thrilling story after another of bill collectors pounding on the door, creditors whistling through the keyholes, and eating bologna sandwiches on the floor by candlelight because the furniture was repossessed and electricity turned off. Color comes to entrepreneurs’ faces as they recount such stories, and excitement rings in their voice.
     
    Today’s entrepreneurs would have been yesterday’s explorers, scouts, and warriors. The evolution of society has depended on their adventurous spirit. The best business-founders see their failures as footsteps on the path toward success. Silicon Valley entrepreneurs consider failures “rites of passage,” “learning experiences,” and “steps on the road to success.” It's a truism in Silicon Valley that a high tolerance for failure underlies this sector’s dynamism. There you are told repeatedly, “Failure is tolerated here.”
     
    A reluctance to try something new, they say, is worse than trying something new that fails. Among these business creators there’s almost a cult of failure, a cocky pride in their ability to take a hit and come back swinging. Microsoft’s Bill Gates was recently depicted in Fortune magazine as a risk-taker whose success has grown from the realization that “you have to try everything, because the real secret of innovation is to fail fast."
     
    There are sound management reasons for being more accepting of failure and less impressed by success. That is not an altogether modern insight. The attitudes of today's entrepreneurs differ little from those of yesterday's inventor-moguls: Thomas Edison, the Wright brothers, Henry Ford. Ford called failure “the opportunity to begin again, more intelligently.” He spoke from experience. Before the Ford Motor Company took, two previous ventures of his had crashed and burned. Like contemporary innovators, earlier pathbreakers saw much to be said for business setbacks. According to IBM’s Thomas Watson, Sr., "The fastest way to succeed is to double your failure rate."
     
    A study of 40 successful entrepreneurs found that most had run one or more businesses into the ground. Yet the vast majority said if their current venture collapsed, they would start another. Don't they ever learn, the more prudent among us wonder. Well, no. That's why entrepreneurs keep plugging. Getting knocked down. Trying again. On the floor. Back on their feet. Like wirewalkers, venture founders know that whoever gets on the wire may fall off. They just don't consider this sufficient reason to stay on the ground.
    Gast

    Het Zesde Kaderprogramma

    Door Gast

    In Brussel liggen 15000 Expressions of Interest (EoI's) voor deelname aan het Zesde Kaderprogramma van de Europese Unie Het zijn voorstellen van consortia voor onderzoekprogramma's en netwerken op alle mogelijke gebieden, van medisch tot sociaal-economisch onderzoek.
     
    Het enorme aantal EoI's is het resultaat van een oproep van de Europese Commissie. Het Zesde Kaderprogramma (KP6), dat vier jaar zal lopen, zal pas eind dit jaar echt beginnen. Maar Brussel wil de eerste echte calls for proposals baseren op ideeën die leven in het veld.
     
    Het is voor het eerst dat die ideeën worden geïnventariseerd middels een oproep voor EoI's. Daar was een goede reden voor. Deze, zesde, editie van het Kaderprogramma van de EU wijkt af van de vorige. In de vorige edities werden, naast uitwisselingen, netwerken en onderzoeksinfrastructuur, vele duizenden projecten gesubsidieerd. Kleine tot middelgrote projecten.
     
    Dat enorme aantal projecten was een last voor het ambtenarenapparaat van de EU. Brussel mag in de volksmond dan een bodemloze put zijn, de bureaucratie is extreem klein; de Europese Commissie heeft minder ambtenaren dan het stadsbestuur van Parijs.
    Maar bovendien kreeg men het idee dat het onderzoeksbudget van de EU te veel werd versnipperd over te veel projecten.
     
    In KP6 gaat de EU het daarom anders aanpakken. Een belangrijk deel van het budget, van meer dan 17 miljard euro, zal worden besteed aan grote, geïntegreerde projecten (projecten van vele miljoen euro's) en grote networks of excellence. Die keuze heeft verstrekkende gevolgen voor de deelnemers.
     
    De EU heeft de afgelopen jaren veel tijd en geld geïnvesteerd om kleine en middelgrote ondernemingen het Kaderprogramma in te trekken. Met succes, zeker in Nederland; de deelname van het MKB is fors gegroeid. In KP6 hoopt men op verdere groei; van het budget voor de verschillende thematische onderdelen zou 15 procent naar R&D in het MKB moeten gaan. Tegelijk maakt de opzet van KP6 deelname voor MKB en voor kleine universitaire onderzoeksgroepen niet eenvoudiger. Door de nadruk op grote, geïntegreerde projecten en grote netwerken van onderzoekers, dreigen zij buiten de boot te vallen.
     
    MKB en academia kunnen nu verschillende dingen doen.
    Gewapend naar Brussel trekken in een ultieme poging het tij te keren. Of Brussel de rug toekeren en zonder subsidie verdergaan met onderzoek en ontwikkeling.
    Er is nog een derde optie: mee gaan in de ontwikkeling en aansluiting zoeken bij de consortia die straks de grote projecten en netwerken gaan leiden.
     
    Niemand weet nog precies hoe de nieuwe instrumenten van KP6 zullen werken. Maar feit is dat er een druk van uitgaat om in een vroeg stadium strategische R&D-consortia te vormen die een lang leven beschoren zijn. Het vergt veel van kleine ondernemingen en onderzoeksgroepen om in dit spel mee te draaien. Maar het kan de moeite lonen. In R&D zullen stevige internationale consortia alleen maar aan belang winnen. Wie daar buiten blijft loopt het risico niet alleen EU-subsidies te missen, maar ook veel kansen. Kansen op een vruchtbare onderzoeksamenwerking, op het vinden van partners voor productontwikkeling en op het ontdekken van marktmogelijkheden.
    Gast

    De tien geboden...

    Door Gast

    Nederland heeft sinds een jaar een Platform voor Universitair Octrooibeleid. En na de zomer zal dat Platform komen met aanbevelingen voor de universiteiten. Het worden geen bindende voorschriften, maar een soort Tien Geboden voor het IPR-beleid. Net als met de Tien Geboden uit de Bijbel kunnen ze worden genegeerd of ter harte genomen. Het hangt van geweten en taakopvatting van de universitair bestuurders af wat zij met deze Stenen Tafelen doen.
     
    Toch zijn de aanbevelingen een kleine revolutie. Bij de oprichting van het Platform, een jaar geleden, stonden de universitair bestuurders bepaald niet te trappelen om mee te doen. De vereniging van universiteiten, de VSNU, mocht van zijn leden niet eens deel uitmaken van het platform. De VSNU zit er als toehoorder en heeft officieel geen opinie over octrooien en licenties. En de universitair bestuurders die wel lid zijn van het Platform, hebben lang gesputterd tegen het voornemen aanbevelingen op te stellen. De omgang met de intellectuele eigendom was een zaak van de universiteiten zelf. En hun wijze bestuurders hadden daarvoor geen richtlijnen nodig.
     
    Die bestuurlijke wijsheid heeft geleid tot een chaos. Het IPR-beleid van de Nederlandse universiteiten is een niet te overziene bende. Delft heeft met hulp van externe experts een portefeuille van meer dan honderd octrooien opgebouwd. Het kost miljoenen die te onderhouden terwijl er bijzonder weinig mee wordt gedaan. Aan de andere kant van de schaal zit bijvoorbeeld Wageningen dat nauwelijks octrooien heeft. Natuurlijk worden ook vanuit Wageningen octrooien aangevraagd, maar door individuele onderzoekers, hoogleraren, niet door de instelling hoewel die wettelijk eigenaar is van de gegenereerde kennis.
     
    En? Is dat zo erg? Ja. dat is erg. Omdat die kennis is gegenereerd met publieke middelen. Instellingen hebben de plicht zorg te dragen voor het management ervan, niet alleen in het lab maar ook op weg naar de markt. Het is onzin dat over te laten aan individuele onderzoekers. Bovendien leidt een gebrek aan IPR-management ertoe dat grote ondernemingen de vrijheid wordt gegund te shoppen en bij universiteiten voor een prikkie kennis op te kopen. En er ligt het probleem van de starters die uit de schoot van een universiteit worden geboren. Voor hen is een helder IPR-beleid van de instelling van levensbelang.
     
    De technostarters zijn door de paarse kabinetten de afgelopen jaren bejubeld als de helden van de nieuwe kenniseconomie. Onder leiding van een minister Jorritsma (EZ) werden verscheidene organisaties (BioPartner, Dreamstart) in het leven geroepen, die moesten zorgen voor een geboortegolf van technostarters. Maar diezelfde overheid liet na te regelen hoe de kennisinstellingen moesten omgaan met de intellectuele eigendom, de bakermat van die starters. De startersorganisaties moesten op hun knieën naar het Platform Universitair Octrooibeleid om aandacht te vragen voor de piepjonge onderneming.
     
    Dit gestuntel heeft veel te maken met een traditionele kijk op het wetenschappelijk bedrijf. Met de huiver om serieus te kijken naar de economische waarde van gegenereerde kennis. Met een verlangen onderzoek te doen zonder kopzorgen over de markt. Dat is inmiddels een onmogelijkheid. Het gaat er niet om dat universiteiten commerciële instellingen moeten worden die alleen nog voor het grote geld gaan. Het gaat erom dat ze niet met hun kont naar de markt gaan staan maar met hun kop.
    Log in om dit te volgen  

×

Cookies op HigherLevel.nl

Cookies zijn nodig om Higherlevel.nl goed te laten functioneren. Door het gebruik van HigherLevel.nl verklaar je onze voorwaarden te hebben gelezen en te accepteren.

 Meer informatie   Oké