Jump to content

Benthum

Super Senior
  • Content Count

    105
  • Joined

  • Last visited

  • Days Won

    2

Benthum last won the day on July 11

Benthum had the most liked content!

Community Reputation

21
  1. "Er komt voor incassobureaus en opkopers van vorderingen een verplichte registratie in een incassoregister voor het mogen uitvoeren van incassowerkzaamheden met betrekking tot vorderingen op natuurlijke personen. Inschrijving in het register wordt een voorwaarde om te mogen opereren als incassobureau. Alleen als aan eisen, die onder meer betrekking hebben op de kwaliteit van het uit te voeren werk en de uitoefening van het bedrijf en de professionele omgang met schuldenaren, wordt voldaan, krijgt een partij toestemming om zich op de incassomarkt te begeven. Ook zullen incassobureaus zich (uiteraard) moeten houden aan bestaande weten regelgeving, zoals de WIK. Die eisen worden nader opgesteld in overleg met professionals in en rond de incassomarkt. De regering wil komen tot een zo sluitend mogelijk systeem waarbij er geen ruimte bestaat voor partijen om zich te onttrekken aan de verplichting om ingeschreven te staan in het register. Dit vraagt om een goede toezichtstructuur. Bij de verdere uitwerking wordt bij bestaande registers gekeken hoe het toezicht daar is vormgegeven. Bij het inrichten van het register en het toezicht dat daarop uitgeoefend gaat worden, gaat ook aandacht uit naar de partijen die zich, tegen de regel in, niet hebben ingeschreven en wel incassowerkzaamheden uitvoeren die onder de werking van het register vallen. Zij moeten zich niet kunnen onttrekken aan de weten regelgeving en moeten daarom aan sanctionering kunnen worden onderworpen. De regering gaat verder uitwerken op welke wijze het systeem sluitend kan zijn en er geen ruimte bestaat voor partijen om zich te onttrekken aan de verplichting om ingeschreven te staan in het register. Er komen, zoals aangegeven in het regeerakkoord, verschillende sanctiemogelijkheden, waaronder het kunnen opleggen van een boete en het schrappen van de registratie. Na inschrijving kunnen bij geconstateerde niet-naleving van de gestelde eisen sancties worden opgelegd. Daarmee wordt ook invulling gegeven aan de motie van het lid Jasper Van Dijk." (Lexalert) Het Invorderingsbedrijf wordt door deze rechtsmaatregel nogal in zijn bestaansrecht bedreigd. Het naarstig crediteren van allerlei opgelegde vorderingen of het zoeken van contact met gedupeerden wijst erop dat met name deze rechtsmaatregelen het Invorderingsbedrijf aanzetten om aantoonbaar wangedrag richting hun opdrachtgevers weg te poetsen. De recente publicaties hebben daarbij zeker geholpen. Zie de links in de posts van JacobV op dit punt. Daarmee is vast te stellen dat hun recente acties erop duiden dat de verwijten aan het adres van het Invorderingsbedrijf op waarheid berusten. Het is eveneens duidelijk dat het NVI zich te gelegener tijd zal moeten inspannen om het Invorderingsbedrijf en al haar opgerichte BV'tjes uit te sluiten van inschrijving in dit register. Tot nu toe beperkt de reactie van het NVI zich slechts tot het wijzen op het belang van hun eigen keurmerk bij in te schakelen incassobureaus. Nogal gemakkelijk aangereikte reclame voor hunzelf. Medio 2021 zou het Invorderingbedrijf c.s. haar activeiten moeten staken als alle spelers in de markt hun gedrags en handelwijze aan de bevoegde instantie voorleggen. Dat geldt overigens niet alleen voor het Invorderingsbedrijf, Incassocenter, Moneyfirst en alle nieuwe opgerichte BV'tjes die nog niet actief zijn, maar ook voor alle andere malafide incassobureau's waarvoor deze rechtsmaatregel feitelijk bedoeld is.
  2. Kunnen zzp’ers of kleine bedrijven ook aanspraak maken op de Wet Van Dam? De Wet Van Dam is bedoeld voor consumenten: particuliere personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig contracten sluiten. Bedrijven vallen hier niet onder en zijn dus gebonden aan de gewone regels uit de algemene voorwaarden van de leverancier. Levert deze aan consumenten én bedrijven, dan moet hij dus twee regels hebben: één conform de Wet Van Dam voor consumenten, en een naar eigen keus voor bedrijven. In ieder geval is IVB hierop aanspreekbaar. IVB beroept zich op haar Algemene Voorwaarden en maakt geen onderscheid tussen consumenten en bedrijven. Maar juist, consumenten hoeven veel minder te pikken of zich te laten bedreigen door IVB. Echter, de rechter gunt kleine bedrijven (zoals zzp’ers of freelance ondernemers) soms dezelfde bescherming als consumenten. Dit heet ‘reflexwerking’ en is gebaseerd op het idee dat dat bedrijf eigenlijk qua positie ten opzichte van de leverancier vergelijkbaar is met een consument. Een harde regel is dit echter niet. Bij zakelijke abonnementen of contracten is de ondernemer in beginsel gebonden aan de algemene voorwaarden die de gebruiker heeft opgesteld, mits die van toepassing zijn verklaard op het abonnement of contract. Toch kunnen ook ondernemers in sommige gevallen een beding dat leidt tot stilzwijgende verlenging, met succes vernietigen. Er is dan sprake van reflexwerking. Vaak gaat het dan om een ondernemer die aan te merken is als een kleine zelfstandige die een met een consument vergelijkbare positie heeft. Zie hiervoor mijn post over dit onderwerp of: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHARL:2017:2679. Een ZZP-er kan naar mijn mening met een beroep op dit arrest de werking van de wet van Dam van toepassing laten verklaren.
  3. Het is een standaardprincipe van IVB om tegenover ieder negatief review een positieve te plaatsen. In hun stellingname en publicaties zijn alle negatieve reviews van één persoon die het - uiteraard volkomen onterecht - op hun boven de discussie staande bedrijf gemunt heeft. Ze hebben hetzelfde verwijt steeds weer bij een andere door hun geselecteerde persoon. Het verhaal blijft hetzelfde. De stelling dat alle negatieve reviews alleen maar vanaf één IP-adres komen, is overduidelijk kul. Deze stelling achtte de rechtbank te Roermond destijds terecht bestreden en onbewezen. Trustpilot laat inmiddels negatieve reviews toe zonder dat de gegevens met het IVB noodzakelijkerwijs moeten worden gedeeld. Het bewijs dat er sprake is van een relatie met IVB is inmiddels voldoende om het review niet te verwijderen. Daarmee neemt het aantal negatieve (en niet verwijderde) reviews over het Invorderingsbedrijf en het Incassocenter weer toe. Als het gaat om een waarschuwing voor dit bedrijf richting potentiële opdrachtgevers is dit bepaald geen slechte ontwikkeling. Er is echter ook een ander fenomeen. Nadat er negatieve reviews over IVB geplaatst zijn, verschijnen bij deze reviewers plotseling vooral apert onjuiste negatieve reviews op internetsites over hun bedrijf. Op Trustpilot en op dit forum is over dit fenomeen al melding gedaan. Uiteraard zijn deze zogenaamde reviewers niet terug te vinden op de social media.... Vanaf welk IP-adres worden deze reviews geplaatst? Of is dat anders geregeld? Voor opdrachtgevers die lastig gevallen worden door IVB op het gebied van een reeds opgezegde verlenging van de serviceovereenkomst verwijs ik naar de jurisprudentie zoals weergegeven in mijn vorige post dan wel de zgn. wet " Van Dam" die inmiddels ook van toepassing is verklaard voor ZZP-ers. Dat laatste houdt onder meer in dat opzeggen van een overeenkomst kan plaatsvinden op dezelfde wijze als de manier waarop de overeenkomst tot stand is gekomen.
  4. In eerste instantie lijkt het bij de reflexwerking alsof het beroep daarop per definitie voor de “niet-consument” is uitgesloten. Daarmee is de vraag opgeworpen of de categorie “ consumenten” niet te beperkt is. Wezenlijke kennisachterstanden of grote verschillen in financiële mogelijkheden doen zich immers ook voor in het verkeer tussen professionele partijen. In deze gevallen creëert reflexwerking van consumentbeschermendebepalingen de mogelijkheid om een gelijke vorm van bescherming te bieden als aan consumenten worden geboden. Zo overwoog de wetgever dat reflexwerking van art. 6:237 onder de BW “ niet uitgesloten” is, hetgeen overigens geldt voor de gehele zwarte en grijze lijst. De aanvaarding van de reflexwerking in de rechtspraak ziet voornamelijk op de lijsten van onredelijk bezwarende bedingen. Het is daarbij bepalend welke hoedanigheid de gebruiker inneemt en welke omstandigheden een rol hebben gespeeld. Zie hiervoor mijn vorige post. Er zijn daarmee duidelijke signalen dat de in art 6 EVRM benoemde “equality of arms” gedachte ook in de rechtspraak, veelal in hoger beroep, gehoor vindt. Dat is waar ClaimShare, volgens mij, op doelt.
  5. https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHARL:2017:2679 In dit geding tussen een loodgieter en een internetbedrijf I-clicks is de ontbinding van een service-overeenkomst aan de orde. Door de opdrachtnemer is in haar Algemene Voorwaarden (artikel 10) bepaald dat een overeenkomst steeds automatisch voor minimaal 12 maanden wordt verlengd, tenzij per aangetekende brief wordt opgezegd, met een minimale opzegtermijn van drie maanden. Herkenbaar? In het arrest wordt de reflexwerking van toepassing geacht. Een belangrijk arrest voor diegenen die als ZZP-er hierover in discussie zijn met het IVB. Een beroep op een onredelijk bezwarend beding in de algemene voorwaarden kan dus succesvol zijn onder verwijzing hiernaar. Met name de argumentatie van het hof is interessant. Standpunt IClicks iClicks heeft o.a. het volgende aangevoerd. “Op de overeenkomst zijn de voorwaarden van toepassing. De opzegging door [geïntimeerde] is niet eerder aan iClicks verzonden dan op 8 januari 2014. Op grond van het bepaalde in artikel 10 van de voorwaarden eindigt de overeenkomst daarom niet op 1 april 2014, maar is deze door de niet-tijdige opzegging van [geïntimeerde] verlengd tot 1 april 2015. [geïntimeerde] is tegenover iClicks tekortgeschoten in de nakoming van zijn betalingsverplichting uit de overeenkomst door de verschuldigde factuurbedragen vanaf februari 2014, ondanks sommaties, onbetaald te laten. Op die grond heeft iClicks haar dienstverlening vanaf maart 2014 kunnen opschorten. iClicks vordert nakoming in de vorm van betaling van 13 termijnen van € 484,-, vermeerderd met contractuele rente en buitengerechtelijke kosten”. Standpunt geïntimideerde “Volgens [geïntimeerde] is (i) de opzeggingsbrief op 18 december 2013 verzonden en is daarmee tijdig opgezegd, zijn (ii) de voorwaarden niet van toepassing en niet ter hand gesteld, (iii) althans is artikel 10 daarvan tussen partijen uitgezonderd, althans (iv) kan iClicks zich niet op deze bepaling beroepen, omdat het een onredelijk bezwarend beding is, aangezien de opzegtermijn langer is dan een maand”. Oordeel kantonrechter De kantonrechter heeft de verweren (i) tot en met (iii) verworpen en heeft aangenomen dat eerst op 8 januari 2014 is opgezegd. De kantonrechter heeft verweer (iv) gehonoreerd en geoordeeld dat artikel 10 van de voorwaarden onredelijk bezwarend is en dat iClicks daarom geen beroep toekomt op die bepaling. Daarbij heeft de kantonrechter reflexwerking toegekend aan het bepaalde in artikel 6:236 aanhef en onder j BW. Nu de overeenkomst in elk geval liep tot 1 april 2014, heeft de kantonrechter wel € 968,- toegewezen (2 maandtermijnen inclusief btw). Daarnaast heeft hij een bedrag aan buitengerechtelijke kosten ad € 145,20 toegewezen. De proceskosten zijn door de kantonrechter gecompenseerd. Het meer of anders gevorderde is afgewezen. Oordeel van het Hof Het hof overweegt als volgt. “Ingevolge artikel 6:236 aanhef en onder j BW, zoals die bepaling luidde ten tijde van het aangaan van de onderhavige overeenkomst, wordt bij een overeenkomst met een natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf als onredelijk bezwarend (en daarmee ex artikel 6:233 aanhef en onder a BW: vernietigbaar) aangemerkt een in de algemene voorwaarden voorkomend beding: dat in geval van een overeenkomst tot het geregeld afleveren van zaken, elektriciteit daaronder begrepen en dag-, nieuws- en weekbladen en tijdschriften niet daaronder begrepen, of tot het geregeld doen van verrichtingen, leidt tot stilzwijgende verlenging of vernieuwing in een overeenkomst voor bepaalde duur, dan wel tot een stilzwijgende voortzetting in een overeenkomst voor onbepaalde duur zonder dat de wederpartij de bevoegdheid heeft om de voortgezette overeenkomst te allen tijde op te zeggen met een opzegtermijn van ten hoogste een maand " "Door iClicks is uitdrukkelijk erkend dat de onderhavige overeenkomst een strekking heeft als in artikel 6:236 aanhef en onder j BW beschreven en dat artikel 10 van de voorwaarden in de verhouding tot consumenten onredelijk bezwarend en daarmee vernietigbaar zou zijn. Dit neemt niet weg dat de overige omstandigheden van het geval reflexwerking kunnen rechtvaardigen, indien zich hier een situatie voordoet die sterke gelijkenis vertoont met die van een consument. Die gelijkenis zal beoordeeld dienen te worden aan de hand van de relatie die er in het betreffende geval bestaat tussen enerzijds het betrokken beding en anderzijds omstandigheden als de aard van de activiteiten die door de niet-consument worden ontplooid, de aard van de overeenkomst die hij heeft afgesloten, de aard van de schade die hij heeft geleden" "Vaststaat dat [geïntimeerde] een eenmanszaak uitoefende als loodgieter. Gesteld noch gebleken is dat hij enig personeel in dienst had. De overeenkomst had geen betrekking op de normale bedrijfsactiviteiten van een loodgieter (zoals de aankoop van materiaal of het aanvaarden van een klus). De kunde en vaardigheden waarover [geïntimeerde] als loodgieter beschikt, voegden hier dan ook niets toe. Een loodgieter beschikt over het algemeen niet over meer administratieve, juridische of financiële kennis en vaardigheden dan de gemiddelde consument. Dat kan anders (geacht worden te) zijn als sprake is van een grotere onderneming met ondersteunend personeel in dienst. Bij die schaalgrootte mag aangenomen worden dat de ondernemer administratief beter onderlegd is. Voorts kan hij dan profiteren van de kennis en vaardigheden waarover het personeel beschikt. Die situatie is hier evenwel niet aan de orde. Ten slotte is het negatieve effect van het onderhavige beding voor [geïntimeerde] (stilzwijgende verlenging van een overeenkomst, indien niet lang van te voren wordt opgezegd) even bezwaarlijk als voor een consument. Daarmee was de positie van [geïntimeerde] zozeer vergelijkbaar met die van een consument dat het aannemen van reflexwerking in dit geval gerechtvaardigd is." "Door de grief wordt verder niet bestreden dat, indien aan artikel 6:236 aanhef en onder j BW reflexwerking toekomt, dit ertoe leidt dat artikel 10 van de voorwaarden ingevolge artikel 6:233 aanhef en onder a BW onredelijk bezwarend is te achten. Door de grief wordt evenmin het oordeel van de kantonrechter bestreden dat iClicks om die reden geen beroep toekomt op artikel 10 van de voorwaarden (hoewel, zo tekent het hof aan, de vernietiging niet uitdrukkelijk is ingeroepen) en dat dit tot gevolg heeft dat de overeenkomst is geëindigd per 1 april 2014.” De beslissing Het hof, recht doende in hoger beroep: - bekrachtigt het vonnis van 7 oktober 2015 van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere; - veroordeelt iClicks in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 311,- aan verschotten en € 632,- aan geliquideerd salaris van de advocaat; -verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde.
  6. Dank dat u voor de onwetende lezer de C nog even breed uitmeet. Want die hadden dat misschien nog niet helemaal door. Nogal beledigend voor de leden op dit forum komt mij voor. Het ACM neemt geen klachten in behandeling maar besluit tot handhaving op basis van meldingen of een handhavingsverzoek. De verwijzing naar de reflexwerking door ClaimShare is een duiding naar het door hun omschreven maatschappelijke probleem dat niet alleen consumenten betreft. Veroorzaakt door de werk en handelswijze van IVB. Uw commentaar dient daarom niet te leiden tot het uitblijven van meldingen aan het ACM door alle gedupeerden. Op uw verdere gezeur, want daar leiden uw reacties telkenmale opnieuw toe, reageer ik niet meer.
  7. Er is, zoals eerder gemeld, geen enkel verschil tussen de dienstverlening van een losse opdracht of een service-overeenkomst. Een reeks losse opdrachten leveren hetzelfde resultaat en leiden steeds tot dezelfde werkwijze van het IVB. De serviceovereenkomst levert geen voordelen op. Maar het Invorderingsbedrijf heeft tot nu toe niet de gelegenheid genomen om hier de "voordelen" te benoemen. Het ACM is geen rechtbank. Zij pleiten zelf al geruime tijd bij het Ministerie voor verruiming van hun bevoegdheden. Het gaat hier overigens om redenen aan te dragen die leiden tot handhaving. Iedere melding is daarvoor relevant.
  8. Graag de volledige tekst van ClaimShare op dit punt weergegeven: " Omdat de zaak (te) veel casuïstische aspecten heeft voor een gezamenlijke juridische actie en economisch moeilijk haalbaar is, neemt ClaimShare deze vooralsnog niet (verder) in behandeling. De omvang en de aard van de klachten zijn wel van voldoende gewicht om daarvan melding te maken bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Ter ondersteuning van het onderzoek heeft ClaimShare enkele van haar bevindingen bij de brief gevoegd (zie bijlage). Het is aan de ACM om de zaak nader te onderzoeken en daaruit conclusies te trekken. Afhankelijk van de bevindingen van de ACM zal ClaimShare de zaak mogelijk heropenen" E-mailadres van Claimshare is: info@claimshare.com
  9. ClaimShare heeft de werkwijze van het Invorderingsbedrijf gemeld bij de Autoriteit Consument en Markt ("ACM") met het verzoek om de zaak nader te onderzoeken. Uit tientallen klachten van consumenten en ondernemers blijkt dat veel klanten zich misleid voelen door de onduidelijke voorwaarden die het bedrijf hanteert. Hier de link naar de verstuurde brief : https://www.claimshare.com/nl/nieuws-updates/claimshare-meldt-het-invorderingsbedrijf-bij-acm. Gedupeerden doen er verstandig aan ook zelf melding te doen bij ACM over hun ervaringen. Als ZZP-er of MKB-er kan er een beroep op de reflexwerking worden gedaan.
  10. ECLI:NL:RBDHA:2018:16458 https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:16458 Vooraf Regelmatig komt in reviews de twijfel van gedupeerden naar voren of de door IVB gefactureerde werkzaamheden wel verricht zijn. IVB geeft vaak geen inzicht in de relevante documenten, zoals dagvaardingen, bewijzen van beslaglegging of anderszins onderbouwing van haar werkzaamheden. De slordige werkwijze van IVB wordt in dit geding door de opdrachtgever ingebracht. Het beroep van IVB op het bestaan van een met hun gesloten serviceovereenkomst wordt weerlegd. In deze zaak doet de kantonrechter in zijn vonnis o.a. een duidelijke uitspraak over de consequenties van het gebrek aan onderbouwing van het door IVB gevorderde. Samenvatting Plein 9a heeft een factuur van € 1.043,- niet betaald gekregen. Een werknemer meldt de vordering aan bij IVB. IVB stuurt een factuur voor de kosten van dagvaarding en de betekening ervan, in totaal € 479,- De opdrachtgever stuurt deze e-mail naar IVB: “Wij weten zeker dat wij de vordering intrekken, maar wij zijn geenszins van plan om jullie iets te betalen. Wij zijn totaal niet tevreden met de gang van zaken, eerst bleek de vordering zoek te zijn, waardoor er pas na 3 weken enige actie werd ondernomen. En dan de dagvaarding die er nog steeds niet uit is, omdat jullie eerst de betaling verwachten? Wij zijn helaas het vertrouwen in jullie kwijt geraakt en jullie hebben onze verwachting niet waar gemaakt. (…)” Vervolgens stuurt IVB een creditnota voor de eerste factuur en een nieuwe factuur. Dit betrof incassokosten en het opstellen van de dagvaarding. Daarna vordert IVB veroordeling van Plein 9a tot betaling van een bedrag van € 500,- verhoogd met de wettelijke rente en de proceskosten. IVB stelt dat er sprake is van een serviceovereenkomst. Invorderingsbedrijf vordert voorts op grond van artikel 6:96 BW interne invorderingskosten van € 40,00 en externe invorderingskosten (incassokosten) van € 78,15, te vermeerderen met de btw hierover van € 24,81. Ten slotte maakt Invorderingsbedrijf aanspraak op vergoeding van contractuele rente van 2 % per maand op grond van artikel 13.3 van de algemene voorwaarden, welke rente tot de dag van dagvaarding is vastgesteld op € 39,05. De vordering bedraagt aldus in totaal € 703,01. Invorderingsbedrijf heeft om haar moverende redenen de vordering beperkt tot € 500,00 en haar rechten ten aanzien van het meerdere uitdrukkelijk gereserveerd. Plein 9 A heeft, kort samengevat, als verweer aangevoerd dat er geen sprake is van een serviceovereenkomst, en dat uit het aanmeldformulier blijkt dat het om één incassozaak gaat. Daarnaast vertegenwoordigt op grond van artikel 2:240 BW het bestuur de vennootschap en is de enig statutair bestuurder van Plein 9 A . De werknemer was niet bevoegd tot het sluiten van de overeenkomst zodat geen overeenkomst tot stand is gekomen. Voor het geval zou worden geoordeeld dat wel sprake is van een overeenkomst, dan heeft Plein 9 A de overeenkomst ontbonden dan wel opgezegd. Er zijn geen werkzaamheden verricht door Invorderingsbedrijf. De algemene voorwaarden zijn voorts niet van toepassing omdat geen overeenkomst tot stand is gekomen, dan wel omdat deze algemene voorwaarden niet overhandigd zijn. Indien de algemene voorwaarden wel van toepassing zijn, dan geldt dat artikel 9.3 niet van toepassing is omdat niet aan de voorwaarden van dit artikel is voldaan. Plein 9 A heeft de opdracht niet ingetrokken maar ontbonden vanwege de toerekenbare tekortkoming. Voor zover wel geldt dat Plein 9 A de opdracht heeft ingetrokken, dan is sprake van een onredelijk bezwarend beding in de zin van artikel 6:237 sub i BW. De gehanteerde tarieven en de voor het eerst in de dagvaarding gestelde jaarbijdrage stroken niet met de vermelding op de website: “Het Invorderingsbedrijf is een incassobureau op basis van No Cure No Pay.” Voor zover geen sprake is van een onredelijk bezwarend beding, dan heeft Invorderingsbedrijf slechts € 156,58 te vorderen, dat is 15 % van de incassovordering van € 1.043,85. Beoordeling: Een beroep op het feit dat de werknemer niet bevoegd was tot het geven van de opdracht aan IVB wordt niet gehonoreerd omdat de opdrachtgever dat niet – anders dan in het geding – aan IVB heeft kenbaar gemaakt. Invorderingsbedrijf beroept zich terecht op de schijn van volmachtverlening. Omdat de opdrachtgever een bedrijf uitoefent zijn de Algemene Voorwaarden van IVB van toepassing inclusief art. 9.3. Uit de factuur blijkt dat Invorderingsbedrijf aanspraak maakt op een vergoeding voor incassokosten conform de algemene voorwaarden en een vergoeding voor het opstellen van de dagvaarding. Uit niets blijkt echter dat Invorderingsbedrijf een dagvaarding heeft opgesteld. Aldus zijn de kosten die Invorderingsbedrijf in dat verband vordert ten onrechte. Plein 9 A heeft voorts onbetwist aangevoerd dat zij geen inzage heeft gekregen in de door Invorderingsbedrijf gestelde met de debiteur gevoerde correspondentie. Dat er werkzaamheden aan de in de factuur genoemde incassokosten ten grondslag liggen, is aldus niet gebleken. Van Invorderingsbedrijf, die op haar website adverteert met de slogan “No cure no pay”, had wel mogen worden verwacht dat zij deze informatie beschikbaar zou stellen, zodat kan worden vastgesteld dat Invorderingsbedrijf daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht. Beslissing: De kantonrechter wijst de vorderingen van het IVB af en veroordeelt haar in de kosten van de procedure.
  11. ECLI:NL:RBDHA:2018:9377 https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:9377 Vooraf Dank voor de support. Zelf reageer ik niet meer op posts van Twabla. Samenvatting In deze zaak gaat het om een geschil tussen een consument en het Invorderingsbedrijf B.V. Op basis van een echtscheidingsconvenant werd het Invorderingsbedrijf ingezet om een bedrag van € 2.275,- te incasseren bij haar voormalige echtgenoot. Invorderingsbedrijf vorderde de kosten van griffierecht, die twee weken voorafgaand aan de zittingsdatum voldaan diende te worden. Zonder dat er een datum van de zitting was bepaald resp. kon worden aangegeven. Daarvoor werd verwezen naar een toekomstige melding in het online portaal. De dagvaarding werd door IVB niet aangebracht. IVB vordert uiteindelijk een totaalbedrag van € 1.247 voor haar werkzaamheden. De eiseres heeft dan inmiddels € 907 aan het IVB betaald. En getracht de overeenkomst met het IVB te beëindigen. Eiseres start een procedure bij de rechtbank Den Haag team handel in plaats van de bevoegde sector kanton. Dit team verwijst de procedure vervolgens door naar de juiste sector. IVB stelt dat eiseres misbruik maakt van het procesrecht door de zaak bij de verkeerde sector van de rechtbank te Den Haag aan te brengen en dat dit bij voorbaat een kansloze zaak is. Eiseres voert in het geding bij de kantonrechter aan dat IVB tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst jegens haar en verzoekt tot vergoeding van de schade. Dit betrof de betaalde kosten aan het Invorderingsbedrijf, de kosten voor rechtsbijstand en een vergoeding voor immateriële schade. En ook de kosten van het geding. IVB stelt in reconventie de schade die zij geleden heeft vast op € 3.349,- Dit betreft het restant van de gefactureerde kosten, rente en de kosten van de advocaat van IVB. Beoordeling kantonrechter 1. Bij het uitvoeren van haar werkzaamheden dient IVB haar werkzaamheden als goed opdrachtnemer in acht te nemen op de voet van artikel 7: 401 BW. Door het niet aanbrengen van de dagvaarding werd het immers een zekerheid ( en niet zoals door IVB als risico bestempeld) dat de vordering van eiseres op haar ex-echtgenoot niet door de kantonrechter in behandeling zou worden genomen. 2. Eiseres kan de schade die zij heeft geleden door de wanprestatie van IVB vorderen. Dit betreft slechts de aan IVB betaalde bedragen. Door voormelde wanprestatie zijn immers de door IVB verrichte werkzaamheden en de daarvoor in rekening gebrachte bedragen zinloos geworden. De gevorderde immateriële schade wordt niet toegewezen. 3. De stelling van het IVB dat haar advocatenkosten invorderbaar zijn op basis van het feit dat er misbruik is gemaakt van het procesrecht omdat de zaak bij voorbaat kansloos was, is door de kantonrechter niet toegewezen. Het vonnis - het IVB dient alle kosten aan eiseres terug te betalen - het IVB wordt veroordeeld in de kosten van de procedure, het salaris en nasalaris van gemachtigde en de wettelijke rente. Conclusie Dat de kosten van IVB hoger zijn dan de feitelijke vordering blijkt ook hier weer. Ook uit deze zaak blijkt dat het juridische verzet tegen de abominabele werkwijze van IVB winbaar is. Maar tegen welke kosten? De vergoeding van de kosten voor juridische bijstand in een dergelijke procedure zijn aan vaste (minimale) regels gebonden. Om juridisch gelijk te halen, kan worden vastgesteld dat je diepe zakken moet hebben (om Jan Hein Strop te citeren).
  12. Het is lastig uw eigen advies serieus te nemen. Uw bijdragen hebben het oogmerk steeds het laatste woord te willen hebben. Het lijkt mij dat het - in dit kader - niet passend is om permanent stelling te nemen namens anderen resp. te bepalen wat die wel of niet willen lezen of vinden. Om daarmee hetgeen wat u zelf vindt op de voorgrond te kunnen plaatsen. Een zelfbenoemde vertegenwoordiging of gewoon een ingesleten betweterigheid? Uw commentaar komt overigens niet overeen met wat anderen van mijn posts vinden. Door verder niet meer te reageren op uw off-topic commentaar, zal ik de lezers veel onnodige berichten met weinig toegevoegde waarde kunnen besparen... Dat is dan wel vervelend voor uw dagbesteding. Want "wat niet bevalt, mag je ook negeren". Daar komt u als eerste voor in aanmerking. Ik heb geen behoefte om namens leden op dit forum te spreken maar persoonlijk vind ik uw bijdragen van betrekkelijke waarde. Ik hoef ook niet te weten " wat we eigenlijk eten..." Einde off-topic discussie. Ik vertrouw u een nieuw onzinnig laatste woord weer geheel toe.
  13. Ik wijs u even op uw eigen advies van enige tijd geleden. Als u op het vermelde zaaknummer googled komt u vanzelf op de zaak waaraan ik refereer. Voor gedupeerden die met het specifieke probleem zittten dat ik signaleer, beveel ik dat ook aan. Voor anderen is de wat uitgebreidere info relevanter dan alleen een samenvatting...
  14. De zaak van Mirretje is hier al breed uitgemeten. Ook daar was zorgplicht aan de orde. Eerst even een ander onderwerp. Dat invorderingsbedrijf heel ver gaat en iedere ontvangst van mail en zelfs een aangetekende brief ontkent, is bekend. Hieronder een poging van het IVB om bij de rechtbank de proceskosten te verhalen bij de opdrachtgever voor de inning van een vordering waar IVB aantoonbaar geen recht op had. Het oprekken van het procesrecht is IVB dit keer niet gelukt: er wordt door de rechtbank bevestigt dat het hier om misbruik gaat. Het geeft ons opnieuw een inkijk in hun bijzondere handelswijze richting opdrachtgevers. Hieronder een samenvatting. Voor gedupeerden die geconfronteerd worden met de weigering van IVB om een service-overeenkomst op te kunnen zeggen, is dit een interessante casus. ECLI:NL:RBDHA:2017:16735 Inhoudsindicatie: misbruik van procesrecht door eiseres Invorderingsbedrijf vordert veroordeling van O&T bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Invorderingsbedrijf te betalen een bedrag van in totaal € 267,66, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom van € 211,75 vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van O&T in de kosten van deze procedure daaronder begrepen het salaris van gemachtigde en de noodzakelijke verschotten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten. Invorderingsbedrijf heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat O&T, op grond van de service overeenkomst, gehouden is de factuur van 29 april 2016 met factuurnummer 12716547 ter hoogte van € 211,75 te voldoen. Ondanks diverse betalingsherinneringen heeft O&T de factuur echter onbetaald gelaten. O&T heeft hiertegen ingebracht dat zij de factuur niet verschuldigd is omdat zij de overeenkomst per 3 april 2016 heeft opgezegd. O&T heeft geconcludeerd dat Invorderingsbedrijf niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, althans dat haar vordering moet worden afgewezen, met veroordeling van Invorderingsbedrijf in de kosten van het geding. Invorderingsbedrijf heeft ter comparitie bevestigd dat de factuur van 29 april 2016 met factuurnummer 12716547 ter hoogte van € 211,75 in rekening werd gebracht voor het verlengen van de overeenkomst. Zij heeft voorts erkend dat O&T de overeenkomst toen al had opgezegd, dat duidelijk is dat O&T geen klant meer is en dat de vordering zodoende geen stand zal houden. Invorderingsbedrijf wilde de procedure om deze reden laten doorhalen. De procedure is echter niet doorgehaald omdat O&T hier niet mee instemde. Zij heeft zich ter comparitie op het standpunt gesteld dat Invorderingsbedrijf misbruik heeft gemaakt van procesrecht en een vergoeding van de volledige proceskosten gevorderd. Nu Invorderingsbedrijf heeft erkend dat haar vordering geen stand zal houden, zal haar vordering worden afgewezen en stelt de rechtbank vast dat in deze procedure slechts nog de vraag voorligt of O&T aanspraak kan maken op vergoeding van de volledige proceskosten. De kantonrechter overweegt in dit kader dat een dergelijke vordering alleen voor toewijzing vatbaar is in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516). Bij het aannemen van misbruik van procesrecht door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM. De kantonrechter overweegt vervolgens dat Invorderingsbedrijf haar vordering heeft gebaseerd op de omstandigheid dat de overeenkomst automatisch wordt verlengd als deze niet is opgezegd. Nu Invorderingsbedrijf inmiddels heeft erkend dat de overeenkomst op 29 april 2016 (datum factuur) al was opgezegd en haar vordering daardoor geen stand houdt, is het de vraag of zij haar vordering heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen. In dit kader is van belang op welk moment Invorderingsbedrijf bekend was of had moeten zijn met de opzegging van de overeenkomst door O&T. Naar het oordeel van de kantonrechter had Invorderingsbedrijf in elk geval vóór 25 oktober 2016, de dag van dagvaarding, bekend moeten zijn met de omstandigheid dat de overeenkomst per 3 april 2016 was opgezegd. Uit voornoemde correspondentie blijkt immers dat Invorderingsbedrijf reeds bij e-mail van 5 maart 2016 aan O&T heeft bevestigd dat de overeenkomst is opgezegd. Zelfs als Invorderingsbedrijf - om welke reden dan ook - niet meer over deze e-mail mocht beschikken, dan had zij in ieder geval op 19 september 2016 op de hoogte moeten zijn geweest van de opzegging door O&T. O&T heeft deze correspondentie immers bij haar conclusie van antwoord van 19 september 2016 overgelegd. Met het (opnieuw) instellen van haar vordering op 25 oktober 2016 is Invorderingsbedrijf hier echter aan voorbij gegaan. Zij heeft haar vordering zodoende gebaseerd op omstandigheden waarvan zij de onjuistheid behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Dat betekent dat zij misbruik van procesrecht heeft gemaakt. Gelet op het voorgaande kan O&T aanspraak maken op een volledige proceskostenvergoeding. In tegenstelling tot hetgeen Invorderingsbedrijf heeft aangevoerd, behoeven (volledige) proceskosten niet bij eis in reconventie te worden gevorderd.
  15. ECLI:NL:RBDHA:2018:6733 Uit deze uitspraak blijkt (wederom) dat een beroep op zorgplicht van het Invorderingsbedrijf succesvol is, ingegeven door de (bewuste) handel en werkwijze van het IVB. Samenvatting Toewijzing vordering tegen het Invorderingsbedrijf vanwege schending zorgplicht. De kosten wogen niet op tegen de te verwachte opbrengsten. Het Invorderingsbedrijf had eisers daarom moeten adviseren niet te procederen. [eisers] legt aan deze (verminderde) vordering, naast voormelde feiten, het navolgende ten grondslag. Op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst tot opdracht had Invorderingsbedrijf de zorg in acht moeten nemen die van een redelijk bekwame en redelijk handelend jurist verwacht mag worden. In dat kader had Invorderingsbedrijf [eisers] moeten informeren met betrekking tot de kansen in een gerechtelijke procedure. Omdat de kosten in dit geval niet opwegen tegen de te verwachten opbrengsten, had Invorderingsbedrijf [eisers] moeten adviseren van het gerechtelijke traject af te zien. Nu Invorderingsbedrijf dat niet heeft gedaan, is zij toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. Indien [eisers] volledig en juist was geïnformeerd, dan had [eisers] afgezien van een gerechtelijke procedure en aangestuurd op een betaling van € 785,90 door [verhuurder] (zoals door [verhuurder] aangeboden bij brief van 18 september 2015). [eisers] heeft een bedrag van € 648,41 ontvangen en een bedrag van € 3.137,24 aan Invorderingsbedrijf betaald. Indien [eisers] het aanbod van [verhuurder] van € 785,90 had geaccepteerd, dan had [eisers] slechts een bedrag van € 344,50 aan incassokosten aan Invorderingsbedrijf moeten voldoen waardoor hij € 441,40 zou hebben overgehouden. Vanwege het niet aanvaarden van het schikkingsvoorstel heeft [eisers] derhalve schade geleden tot een bedrag van € 2.930,23 (€ 3.137,24 - € 648,41 + € 441,40). Daarnaast heeft Invorderingsbedrijf geen algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst van toepassing verklaard en deze zijn evenmin aan [eisers] ter hand gesteld, zodat [eisers] geen kantoorkosten op grond van die algemene voorwaarden verschuldigd is. Voorts vordert [eisers] vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 505,80 vanwege de door de gemachtigde van [eisers] verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden. Invorderingsbedrijf heeft, kort samengevat, als verweer aangevoerd dat [eisers] meerdere malen is gewezen op de kosten en dat uit niets is gebleken dat Invorderingsbedrijf [eisers] heeft voorgehouden dat de kosten van een gerechtelijke procedure integraal verhaald zouden worden. De kantonrechter stelt vast dat de tussen partijen gesloten overeenkomst een overeenkomst van opdracht betreft als bedoeld in artikel 7:400 BW. Bij dergelijke overeenkomsten heeft te gelden dat de opdrachtnemer bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moet nemen (7:401 BW). Voor een professionele dienstverlener in de financiële sector – zoals Invorderingsbedrijf – houdt deze norm in dat de (mate van) zorg die zij ten opzichte van haar wederpartij – in casu de als particulier optredende [eisers] – dient te betrachten ten minste gelijk moet zijn aan de (mate van) zorg die een redelijk handelend, redelijk bekwaam vakgenoot in dezelfde situatie in acht zou nemen. De omvang van de op de schouders van de dienstverlener rustende zorgplicht wordt voorts bepaald door de omstandigheden van het geval, waartoe onder meer ook moet worden gerekend de aard van de overeengekomen dienstverlening en de redelijkerwijs te verwachten deskundigheid bij de wederpartij. De opdrachtnemer dient haar gedrag ook in voldoende mate af te stemmen op de gerechtvaardigde belangen van de opdrachtgever. Invorderingsbedrijf, die als opdrachtnemer de plicht heeft om [eisers] op de hoogte te houden van haar werkzaamheden en daarover rekening en verantwoording af te leggen, heeft [eisers] gelet op het voorgaande niet in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding een weloverwogen keuze te maken. Het noemen van losse bedragen zonder een en ander overzichtelijk op een rijtje te zetten en een concrete kosteninschatting te geven, getuigt – zeker in dit geval waar het een geringe vordering betreft – niet van een deugdelijke vervulling van de zorgplicht. Uit het voorgaande volgt dat Invorderingsbedrijf toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. Om die reden is zij gehouden de schade die [eisers] heeft geleden te vergoeden. De kantonrechter is van oordeel dat Invorderingsbedrijf [eisers] in dit geval had moeten adviseren om niet te gaan procederen. Wanneer zij dat zou hebben geadviseerd, zou [eisers] naar het oordeel van de kantonrechter van een gerechtelijke procedure hebben afgezien en had zij de met de procedure gemoeide kosten bespaard. De vordering van [eisers] zal daarom worden toegewezen. De buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente zullen als onbetwist en op de wet gegrond eveneens worden toegewezen, met dien verstande dat de wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten slechts toewijsbaar is vanaf de dag van dagvaarding. Invorderingsbedrijf zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).
EN

×

Cookies on HigherLevel.nl

Cookies are necessary for Higherlevel.nl to function properly. By using HigherLevel.nl you declare to have read and accepted our terms and conditions.

 More information   I accept